Inhoudsindicatie

Een beroep op gelijk werk gelijk loon slaagt niet. Tevens geen sprake van discriminatie op grond van geslacht.

Zaaknummer(s) 2025-00250
Datum uitspraak
Categorie(ën) verschil van mening,
zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk
Ander onderwerp, Of aan werkzaamheden goede salarisschaal is verbonden
Relevante cao-bepaling(en) 6.1
Uitkomst zaak (deels) ongegrond

Waar gaat de zaak over?

De werknemer stelt zich op het standpunt dat er al langere tijd sprake is van een situatie waarin een vrouwelijke collega, werkzaam is in de gelijke functie maar een hogere beloning ontvangt ten opzichte van de overige collega’s. Dit terwijl de werknemer en de collega op exact dezelfde vacature hebben gesolliciteerd. De werknemer verzoekt om vast te stellen dat jegens de werknemer sprake is van een verboden onderscheid in beloning. Volgens de werknemer verrichten hij en zij collega identiek werk, maar ontvangt de collega sinds haar indiensttreding een hoger salaris. De werknemer heeft daarnaast ook nog verzwarende werkzaamheden toebedeeld gekregen. De werknemer stelt dat dit nadrukkelijk in strijd met artikel 7:646 lid 1 BW. De werknemer stelt dat iedere objectieve rechtvaardigingsgrond voor het loonverschil ontbreekt. Beiden vervullen tenminste dezelfde functie, met gelijkwaardige verantwoordelijkheden en werkzaamheden, waarbij de werknemer meent dat zijn verantwoordelijkheden verder reiken en hij een zwaarder takenpakket heeft. De werknemer vraagt om een schadevergoeding.

De werkgever stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van gelijke omstandigheden en er niet kan worden geconcludeerd tot een ongelijke beloning die aan de hand van de terughoudende toets naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Er is geen (rechts)grondslag om de FGR-indeling los te laten en de werknemer (en in het vervolg potentieel alle andere collega’s) boven formatief in te schalen. De werkgever geeft aan dat bij de indiensttreding van de collega uiteindelijk is gebleken dat partijen niet een eenduidige visie hebben gehad over de wijze en/of mate van invulling van de rol van de collega. De situatie van de werknemer staat los van en is niet vergelijkbaar met de situatie van de collega. Daarbij is sprake geweest van een nadien gebleken misverstand en een uniek incident zodat bovendien niet geconcludeerd kan worden dat de ongelijkheid in beloning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn ex artikel 6:248 BW.

Hoe luidt de uitspraak van de commissie?

Dat werknemers in gelijke gevallen in gelijke omstandigheden recht hebben op gelijke beloning is een uitvloeisel van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek. Gelijke arbeid moet in gelijke omstandigheden op gelijke wijze worden beloond, tenzij een objectieve rechtvaardigingsgrond de ongelijke beloning toelaat (HR 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1322 (Agfa/Schoolderman)).

Om een schending van goed werkgeverschap wegens een ongeoorloofde ongelijke beloning vast te stellen moet als eerste worden beoordeeld of sprake is van gelijke arbeid onder gelijke omstandigheden. De werknemer heeft (nog) niet verzocht om een herindelingsverzoek bij zijn werkgever. Ook in deze procedure heeft de werknemer noch gesteld noch onderbouwd dat zijn werkpakket in overwegende mate voldoet aan de niveaubepalende elementen van de naast hoger gelegen functietypering (schaal). De commissie gaat dan ook uit van de juistheid van de indeling van de werknemer in zijn huidige functietypering.

De commissie is van oordeel – voor zover zij dit kan beoordelen – dat onvoldoende is gebleken dat de werkpakketen tussen de werknemer en zijn collega feitelijk gelijk zijn en er sprake is van dezelfde functies. Zo geeft de werkgever aan, en komt dit de commissie logisch voor, dat de collega verzwarende elementen in haar functie heeft zitten die indeling in de hogere schaal kunnen rechtvaardigen. De commissie wijst erop dat dit los staat van het wel of niet behalen van individuele resultaat- en ontwikkelafspraken en de wijze waarop iemand functioneert of presteert. Dat de werknemer van mening is dat hij ook verzwarende elementen in zijn functie heeft zitten doet niet af aan de beoordeling of de collega verzwarende elementen in haar functie heeft zitten. Daarvoor zal de werknemer zijn eigen indeling in het FGR moeten betwisten en onderbouwen. De commissie is dan ook van oordeel dat niet is aangetoond dat er sprake is van gelijke arbeid onder gelijke omstandigheden. De commissie komt dan niet meer toe aan de vraag of voor het verschil in beloning een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat en of het verschil naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De werknemer lijkt tevens een beroep te doen op artikel 7:646 BW. Dit artikel houdt een verbod op ongelijke behandeling voor mannen en vrouwen in. Artikel 7:646 BW ziet op discriminatie (verboden onderscheid) op grond van geslacht (persoonsgebonden kenmerk). Het is de commissie nergens uit gebleken dat de werkgever onderscheid heeft gemaakt in arbeidsvoorwaarden en/of onderscheid heeft gemaakt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst op grond van het geslacht (man) van de werknemer.

De commissie is van oordeel dat geen sprake is van een ongeoorloofde ongelijke beloning en daarmee een schending van goed werkgeverschap. De commissie is tevens van oordeel dat geen sprake is van discriminatie op grond van geslacht. De commissie acht geen grondslag aanwezig voor een schadevergoeding.

Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting

De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.

Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.

Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.

Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .