| Inhoudsindicatie | Geschil over het niet omzetten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een overeenkomst voor onbepaalde tijd |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2025-00201 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Ander onderwerp |
| Relevante cao-bepaling(en) | 2.1 |
| Uitkomst zaak | (deels) gegrond |
Waar gaat de zaak over?
De werknemer is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij de werkgever. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor één jaar om de geschiktheid van de werknemer te beoordelen. Bij goed functioneren wordt de overeenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Tussen de werkgever en de werknemer heeft een gesprek plaatsgevonden. Een dag later heeft de werkgever telefonisch aan de werknemer medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever heeft, op verzoek van de werknemer, de onderbouwing voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst per e-mail gegeven. Volgens de werkgever ligt de ongeschiktheid van de werknemer besloten in een samenspel van competenties.
De werknemer is van mening dat zij wel degelijk geschikt is om de functie uit te oefenen en dat er onvoldoende kan worden vastgesteld of er sprake is van ongeschiktheid voor de functie. Volgens de werknemer is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te rechtvaardigen.
De werkgever stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst met de werknemer (rechtsgeldig) van rechtswege is geëindigd en dat hij niet gehouden is om de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te verlengen. Volgens de werkgever is voldoende komen vast te staan dat de beperkingen in het functioneren van de werknemer meermaals met haar zijn besproken en zijn vastgelegd. De werknemer heeft meermaals de kans gekregen om verbetering te tonen.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
De commissie overweegt dat de cao niet voorschrijft hoe bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met als doel de geschiktheid van de werknemer te beoordelen, die geschiktheid precies moet worden getoetst. Een formele beoordeling zoals bedoeld in paragraaf 12.2 van de cao is derhalve niet vereist. De commissie merkt daarbij wel op dat per 1 juli 2025 in de cao een toelichting bij de bepaling over de tijdelijke arbeidsovereenkomst is opgenomen. Daaruit blijkt dat het tot de beleid/beoordelingsvrijheid hoort om te beslissen of een werknemer geschikt is voor de functie en bij een negatief oordeel om te besluiten de arbeidsovereenkomst niet te verlengen, mits getoetst dat de werkgever in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en of met het besluit de beginselen van redelijkheid en billijkheid en de norm van goed werkgeverschap niet zijn geschonden. Deze toelichting volgt de lijn van vaste jurisprudentie.
De commissie overweegt dat bij de vraag of de norm van goed werkgeverschap is overtreden de volgende elementen kunnen worden meegewogen: of de werknemer -kort gezegd- op de tekortkomingen in het functioneren is gewezen, of het functioneren op een zodanig moment is besproken dat de werknemer de kans heeft gehad om zijn functioneren te verbeteren en of de werknemer hiertoe een reële kans heeft gekregen. Voor wat betreft de bewijsstandaard merkt de commissie op dat van de werkgever een minimale mate van bewijsvoering mag worden verwacht.
De commissie vindt dat de werkgever ten aanzien van bovengenoemde elementen er niet in is geslaagd om de minimale mate van bewijsvoering te leveren. De commissie stelt vast uit de door partijen overgelegde stukken op geen enkele manier blijkt dat de werkgever de werknemer vóór de datum waarop mondeling aan de werknemer is medegedeeld dat haar contract niet zou worden verlengd, heeft aangesproken op tekortkomingen in haar functioneren dan wel twijfels heeft geuit over haar geschiktheid voor het uitoefenen van de functie. Uit het verslag van het personeelsgesprek blijkt volgens de commissie niet dat er daadwerkelijk sprake zou zijn van niet goed functioneren en twijfels over de geschiktheid van de werknemer. De commissie constateert dat ook uit de schriftelijke stukken die dateren van vóór de datum van mededelen op geen enkele manier concreet naar voren komt dat de werknemer niet goed functioneerde, dat er twijfels over haar geschiktheid bestonden, en dat de werknemer hierop zou zijn aangesproken. De schriftelijke stukken waarin vermeld staat dat dit het geval zou zijn, dateren van na de datum van mededelen. Verschillende e-mails met voorbeelden van “concrete problemen” waar de werkgever naar heeft verwezen dateren weliswaar van voor deze datum, maar daaruit kan volgens de commissie niet de conclusie worden getrokken dat op dat moment bij de werkgever al aanmerkingen op het functioneren van de werknemer bestonden. En in ieder geval blijkt daar ook niet uit dat deze boodschap op dat moment met de werknemer is gedeeld.
De commissie stelt dat de werkgever niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de datum waarop mondeling aan de werknemer is medegedeeld dat haar contract niet zou worden verlengd, de werknemer op tekortkomingen in haar functioneren heeft aangesproken en de werknemer een reële kans tot verbetering heeft gekregen. De commissie adviseert de werkgever daarom om de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. Ondanks de geconstateerde beschadiging in het vertrouwen tussen partijen, die overigens pas na de aanzegging is ontstaan, is de commissie er niet van overtuigd dat geen vruchtbare verdere samenwerking tussen partijen mogelijk zal zijn. De commissie adviseert de werkgever om met de werknemer in overleg te treden over de wijze waarop haar dienstverband kan worden voorgezet en om daar gezamenlijk concrete en schriftelijke afspraken over te maken.
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .