Inhoudsindicatie

Eenzijdig vrijstellen van het verrichten van werkzaamheden en ontzeggen toegang tot de werkplek. Geschil over rapportage- en adviseringslijnen behorende bij de functie.

Zaaknummer(s) 2025-00192
Datum uitspraak
Categorie(ën) verschil van mening,
zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk
Ander onderwerp
Relevante cao-bepaling(en) 15
Uitkomst zaak (deels) gegrond

Waar gaat de zaak over?

De werknemer heeft zich ziekgemeld naar aanleiding van een gesprek met zijn leidinggevende, waarbij aan hem is aangegeven dat hij een sociaal onveilige werkomgeving bij collega’s creëert. Daarover heeft de werknemer een klacht ingediend. De werknemer heeft, na advies van de bedrijfsarts om niet te worden blootgesteld aan een werkomgeving die stress verhogend kan zijn, zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat en zich vervolgens volledig hersteld gemeld. Tijdens een gesprek tussen de werkgever, de werknemer en de bedrijfsarts blijkt dat er sprake is van een arbeidsconflict. De leidinggevende zorgt bij de werknemer voor stress en de werknemer ziet de oplossing in het tot een minimum terugbrengen van de contacten. De werkgever heeft de werknemer vervolgens vrijgesteld van werk, vanwege de situatie tussen de werknemer en zijn leidinggevenden.

De werknemer is van mening dat de werkgever hem zonder enige belemmering toe moet laten om zijn werkzaamheden binnen zijn functie uit te voeren. De werkgever heeft volgens hem niet zorgvuldig gehandeld met betrekking tot de schorsing. De echte motivatie om hem vrij te stellen van werk is volgens de werknemer onduidelijk en ontoereikend. Daarnaast verzoekt de werknemer de commissie om de werkgever op te dragen te voldoen aan de overeengekomen rapportage/adviseringslijnen in zijn functie. Tot slot wil de werknemer dat zijn herstelmelding in de systemen wordt doorgevoerd.

De werkgever stelt zich op het standpunt dat de werknemer zich heeft onttrokken aan het instructierecht van de werkgever aan de werknemer, en dat daarmee niet alleen de verhouding tussen de werknemer en zijn leidinggevende is geraakt maar dat er ook sprake is van een (potentieel) bredere verstorende werking. De werkgever vond dat ingrijpen -in de vorm van een vrijstelling van werk- noodzakelijk was, en conform het advies van de bedrijfsarts ook in het belang van de werknemer zelf was. Omdat de stresserende factor (de leidinggevende) nog aanwezig is, stelt de werkgever zich ook op het standpunt dat de werknemer nog steeds arbeidsongeschikt is. Tot slot bepaalt een werkgever aan wie een werknemer ondergeschikt is en aan wie hij inhoudelijk dient te rapporteren.

Hoe luidt de uitspraak van de commissie?

De commissie overweegt dat allereerst tussen partijen ter discussie staat of er sprake is geweest van een schorsing. Volgens de commissie staat in ieder geval vast dat de werkgever eenzijdig heeft besloten de werknemer met onmiddellijke ingang vrij te stellen van zijn werkzaamheden en niet meer toe te laten tot zijn werkplek. Naar het oordeel van de commissie bestaat er geen juridisch relevant onderscheid tussen vrijstelling van werkzaamheden, een non-actiefstelling of een schorsing (ECLI:NL:RBNNE:2021:2696).

De commissie is niet gebleken dat een dusdanige onwerkbare situatie is ontstaan, waarbij de werkgever genoodzaakt was om de werknemer volledig én voor onbepaalde tijd niet meer toe te laten tot zijn werkplek. De commissie oordeelt dat de door de werkgever daarvoor gegeven redenen onvoldoende zijn om de eenzijdige vrijstelling van werkzaamheden te kunnen dragen. De vrijstelling van werkzaamheden en het ontzeggen van de toegang tot het werk ontbeert hiermee een voldoende grondslag.

Dat betekent dat naar het oordeel van de commissie de door de werknemer gevraagde wedertewerkstelling in beginsel toewijsbaar is. De commissie overweegt echter ook dat de werknemer zich volledig hersteld heeft gemeld, maar dat ook uit het dossier blijkt dat de bedrijfsarts heeft aangegeven dat een herstelmelding nog niet aan de orde is, zolang de relatie tussen hem en zijn leidinggevende niet is hersteld. De commissie stelt vast dat tot op heden van een dergelijke herstelde arbeidsverhouding nog geen sprake is. In het geval van de werknemer is sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid. De commissie is van oordeel dat het daarom op dit moment voor de werknemer niet zonder meer mogelijk is om zonder belemmeringen zijn werkzaamheden weer uit te voeren. De commissie adviseert de werkgever daarom om op korte termijn een nieuw en actueel oordeel te vragen aan de bedrijfsarts, omtrent de belastbaarheid, wijze van wedertewerkstelling en hersteldmelding. De werkgever én de werknemer dienen vervolgens te handelen overeenkomstig het advies van de bedrijfsarts.

De commissie overweegt vervolgens dat het niet binnen de reikwijdte van haar bevoegdheden op grond van de cao Rijk valt om zich in het algemeen uit te laten over de inrichting van een organisatie. De commissie mag en zal zich wel uitlaten over de door de werknemer gestelde rapportage- en adviseringslijnen, die specifiek zijn functie betreffen. De commissie overweegt allereerst dat is gebleken dat er tussen partijen veel onduidelijkheden en verschillen van inzicht bestaan over de rolverdeling en bevoegdheden. De commissie acht het zeer wenselijk dat partijen daarover met elkaar (verder) spreken. Op deze manier kunnen onduidelijkheden, maar wellicht ook een aantal zaken die partijen verdeeld houdt, worden weggenomen.

Verder overweegt de commissie dat de beoordeling omtrent dit verzoek moet plaatsvinden in het kader van het instructierecht van een werkgever en de gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer. Op grond van de gezagsbevoegdheid van de werkgever staat het de werkgever vrij om aanwijzingen te geven omtrent het verrichten van werkzaamheden. De commissie is van oordeel dat de werkgever op grond van het instructierecht aan de werknemer regels mag stellen en instructies mag geven over rapportagelijnen. De aan de werknemer gegeven instructie valt volgens de commissie binnen de invloedsfeer van het instructierecht dat de werkgever toekomt. De commissie overweegt dat het instructierecht vergt dat de werknemer zich houdt aan de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming van de werkgever. Volgens de commissie staat de gegeven instructie over inhoudelijk rapporteren in relatie tot de werkzaamheden van de werknemer. De commissie overweegt dat de instructie van de werkgever ook niet onredelijk voorkomt. De commissie is van oordeel dat de werkgever de werknemer de instructie rondom inhoudelijk rapporteren heeft mogen opleggen.

De commissie benadrukt nog dat – ook nu mediation kennelijk niet voor partijen heeft gewerkt – het zeer wenselijk blijft dat de werknemer en de werkgever (eventueel onder begeleiding van een onafhankelijke derde) met elkaar in gesprek gaan over (onder meer) het onderlinge vertrouwen en de werkrelatie.

Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting

De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.

Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.

Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.

Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .