Inhoudsindicatie

Eenzijdig vrijstellen van het verrichten van werkzaamheden en ontzeggen toegang tot de werkplek.

Zaaknummer(s) 2025-00148
Datum uitspraak
Categorie(ën) verschil van mening,
zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk
Ander onderwerp
Relevante cao-bepaling(en) 15
Uitkomst zaak (deels) ongegrond

Waar gaat de zaak over?

De werknemer heeft zich op een bepaald moment ziek gemeld vanwege werk- en niet werkgerelateerde redenen. De werknemer komt na ongeveer tien maanden weer op het werk in het kader van de opbouw in werkzaamheden in haar e-integratie. In de maanden daarna hebben zich diverse situaties op de werkvloer voorgedaan. Op een dag doet zich opnieuw een situatie voor op de werkvloer, waar ook andere collega’s bij betrokken zijn. De werknemer is vervolgens op dezelfde dag tijdens een al geplande afspraak door de leidinggevende verzocht om de werklocatie te verlaten. Dat is door de werkgever per e-mail bevestigd en aan de werknemer is ook aangegeven dat zij gedurende de rest van de week geen werkzaamheden mag verrichten en geen contact mag zoeken met directe collega’s via werkmiddelen. De werknemer ontvangt later nog de mededeling dat zij ook de week daarna geen werkzaamheden mag verrichten.

De werkgever vindt het noodzakelijk dat er een advies vanuit de bedrijfsarts wordt gegeven voordat er vervolgafspraken besproken kunnen worden. De werknemer is op de eerste twee geplande spreekuren niet verschenen, maar is daarna wel naar de bedrijfsarts gegaan. Uit het advies van de bedrijfsarts blijkt dat er geen sprake meer is van medische problematiek en dat de werknemer hersteld kan worden gemeld, maar dat er wel een arbeidsconflict is ontstaan. De werkgever en de werknemer hebben vervolgens regelmatig per e-mail contact over de terugkeer naar de werkvloer, de werkhervatting en de herstelmelding.

De werknemer is van mening dat zij onmiddellijk weer moet worden toegelaten tot haar werk en wil al haar werkzaamheden weer zonder beperkingen kunnen uitvoeren. Ook heeft de werknemer behoefte aan uitleg over de “schorsing” en wil zij financieel gecompenseerd worden voor de inkomsten die ze daardoor heeft moeten missen.

De werkgever stelt zich op het standpunt dat het van belang was om eerst een afspraak met de bedrijfsarts na te komen, voordat een gesprek met de werknemer zal plaatsvinden. De werknemer is uit voorzorg voor terugval in het ziekteproces van het werk gehaald, waarbij geen sprake was van een schorsing. Nadat de werknemer uiteindelijk bij de bedrijfsarts is geweest, is gepoogd om met haar in gesprek te komen over de ontstane situatie en de terugkeer naar werk.

Hoe luidt de uitspraak van de commissie?

De commissie overweegt dat allereerst tussen partijen ter discussie staat of er sprake is geweest van een schorsing. Volgens de commissie staat in ieder geval vast dat de werkgever eenzijdig heeft besloten de werknemer met onmiddellijke ingang vrij te stellen van haar werkzaamheden en niet meer toe te laten tot haar werkplek. Naar het oordeel van de commissie bestaat er geen juridisch relevant onderscheid tussen vrijstelling van werkzaamheden, een non-actiefstelling of een schorsing (ECLI:NL:RBNNE:2021:2696).

Volgens de commissie is de opgelegde vrijstelling van werkzaamheden niet onterecht geweest. De werkgever heeft de reden(en) die ten grondslag hebben gelegen
aan de eenzijdige vrijstelling van werkzaamheden voldoende onderbouwd. De vrijstelling van werkzaamheden heeft met geldige rechtsgrond plaatsgevonden
en de werkgever heeft niet in strijd gehandeld met artikel 7:611 BW. De werkgever heeft aangegeven dat er een onwerkbare situatie is ontstaan en deze stelling in ieder geval op de hoorzitting onderbouwd door een uitgebreide toelichting te geven over de gebeurtenissen en het incident op de werkvloer. De commissie is gebleken van een serieus probleem en een incident op de werkvloer waarbij ook andere collega’s betrokken waren. Daarbij neemt de commissie ook mee dat de werkgever zich zorgen maakte om de gesteldheid van de werknemer en daarmee haar belangen eveneens in de afweging heeft meegewogen. Omdat er op het moment van het incident nog sprake was van een re-integratie na een (langere) periode van arbeidsongeschiktheid, komt het de commissie ook niet onbegrijpelijk voor dat de werkgever in deze omstandigheden de bedrijfsarts heeft ingeschakeld, teneinde zorgvuldig te handelen en een eventuele terugval te willen voorkomen. Een werkgever heeft daaromtrent ook de verantwoordelijkheid naar een werknemer.

De commissie heeft uit het dossier en de toelichting van partijen tijdens de hoorzitting begrepen dat de werkgever en de werknemer nog steeds hetzelfde doel voor ogen hebben, namelijk het bewerkstelligen van een passende wedertewerkstelling voor de werknemer. Uit het adviesrapport van de bedrijfsarts blijkt dat de werknemer weer volledig hersteld is gemeld en de commissie ziet dan ook geen belemmeringen omtrent de wens van de werknemer om weer toegelaten te worden tot haar werk en haar taken weer uit te voeren. De commissie merkt daaromtrent op dat de werknemer op dit moment zonder grondslag niet aan het werk is, en is verplicht om mee te werken aan haar re-integratie en om (passende) werkzaamheden te verrichten. De commissie benadrukt dat partijen hierover wel goede afspraken met elkaar moeten maken, bijvoorbeeld over het opbouwen van het volledige takenpakket. Daarnaast is het zeer wenselijk dat de werknemer en de werkgever onder begeleiding van een gesprekspartner met elkaar in gesprek gaan over de gebeurtenissen, het onderlinge vertrouwen en de werkrelatie. Deze gesprekken moeten echter los worden gezien van de gesprekken over de afspraken omtrent de terugkeer naar werk. Die gesprekken komen voort uit de verplichting van de werknemer om -na de herstelmelding- weer terug te keren naar het werk, en kunnen volgens de commissie ook tussen de werknemer en haar leidinggevenden worden gevoerd.

Tot slot is de commissie van oordeel dat de werkgever de werknemer financieel dient te compenseren over de periode vanaf de datum oplegging vrijstelling van werkzaamheden tot en met de datum van de herstelmelding. Dat betreft dan het verschil tussen 70% salaris vanwege langdurige ziekte en de aanvulling tot 100% van het salaris voor elk gewerkt uur. Volgens de commissie mag de werknemer in het algemeen niet in een nadeligere financiële positie komen vanwege de door de werkgever eenzijdig opgelegde vrijstelling van werkzaamheden. De commissie neemt daarbij ook in de overweging mee dat de werkgever de werknemer meer had moeten meenemen in de voortgang en de mogelijke financiële consequenties van haar keuzes.

Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting

De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.

Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.

Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.

Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .