| Inhoudsindicatie | Geschil over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2025-00017 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Ander onderwerp |
| Relevante cao-bepaling(en) | 2.1 |
| Uitkomst zaak | (deels) gegrond |
Waar gaat de zaak over?
De werknemer vindt dat de werkgever in de besluitvorming rondom zijn arbeidsovereenkomst onzorgvuldig en onbehoorlijk tewerk is gegaan, en dat de werkgever de werknemer redelijkerwijs de voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet mag onthouden. Daarnaast weigert de werkgever volgens de werknemer ten onrechte te voldoen aan het verzoek om de werknemer formeel te beoordelen in het kader van de cao.
De werkgever stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de werkgever de grenzen van de haar toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden of dat zij in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld met betrekking tot de besluitvorming rondom het niet wijzigen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van de werknemer in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever concludeert aldus dat het verzoek zou moeten worden afgewezen.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
De commissie stelt voorop dat in beginsel geldt dat het tot de beleidsvrijheid van een werkgever hoort om te beoordelen of hij een werknemer geschikt acht voor een functie. Deze vrijheid is evenwel niet onbegrensd. Hierbij geldt dat getoetst moet worden of de werkgever in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen en of met dit besluit de beginselen van redelijkheid en billijkheid en de norm van goed werkgeverschap niet zijn geschonden. Naar het oordeel van de commissie kan de besluitvorming van de werkgever in dit geval deze toetsing niet doorstaan.
Daarbij vindt de commissie dat de stellingen van de werkgever over de houding en gedrag van de werkgever veelal niet zijn geconcretiseerd, en dat de werkgever deze, nu nagenoeg elke vorm van dossiervorming hieromtrent ontbreekt, niet door middel van stukken heeft kunnen onderbouwen. Hierbij merkt de commissie op dat bij de besluitvorming rondom het niet voortzetten van een tijdelijke arbeidsovereenkomst (door middel van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) niet dezelfde mate van bewijsvoering vereist is als bij een ontslagaanvraag wegens disfunctioneren als bedoeld in artikel 7:669a lid 3 BW. In een dergelijke situatie mag van de werkgever echter wel een minimale mate van bewijsvoering worden verwacht. De commissie vindt dat de werkgever niet aan deze minimale te verwachten mate van bewijsvoering heeft voldaan.
Daarbij vindt de commissie in het bijzonder van belang dat de werkgever op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat zij de werknemer vóór het gesprek eind 2024 op zijn houding en gedrag heeft aangesproken, en dat hij na dit gesprek in elk geval nauwelijks de kans heeft gekregen om een verandering hierin te laten zien. Aldus vindt de commissie dat het besluit van de werkgever van eind 2024 de genoemde toets niet kan doorstaan. Naar het oordeel van de commissie volgt hieruit, nu de cao geen ruimte biedt om de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te verlengen, dat de werkgever de werknemer alsnog een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet aanbieden, met terugwerkende kracht.
De commissie realiseert zich dat, gelet op het feit dat de werkgever nu eenmaal besloten had het dienstverband met de werknemer te beëindigen, en gelet op de kritiek van de werkgever op de competenties van de werknemer en diens rol in het team, de werknemer de werkzaamheden niet zomaar zal kunnen hervatten alsof er niets gebeurd is. De commissie geeft partijen daarom in overweging om eerst met elkaar in gesprek te treden om te bespreken wat nodig is om te komen tot een vruchtbare voortzetting van de arbeidsverhouding, eventueel onder begeleiding van een derde zoals het Rijksloket Bemiddeling en Advies in Arbeidszaken (RABA).
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .