| Inhoudsindicatie | Geschil over doorwerken na AOW-leeftijd |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2024-00303 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Ander onderwerp |
| Relevante cao-bepaling(en) | H2 |
| Uitkomst zaak | (deels) gegrond |
Waar gaat de zaak over?
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn verzoek om na zijn AOW-leeftijd één jaar door te werken ten onrechte heeft afgewezen. Volgens verzoeker hadden zijn belangen om door te willen werken na de AOW-leeftijd expliciet meegewogen moeten worden door verweerder in zijn beslissing. Verweerder is niet ingegaan op de door hem aangedragen persoonlijke omstandigheden. Evenmin is in de gevoerde gesprekken een toelichting gegeven op de afwijzing. Het is voor verzoeker gunstig om een jaar langer door te werken, zowel voor zijn mentale welbevinden als voor zijn pensioenopbouw, omdat hij te maken heeft met een pensioengat.
Het doorwerken van verzoeker is daarnaast ook in het bedrijfsbelang van verweerder. Verzoeker wijst erop dat er meer dan voldoende werk is en dat er wordt geworsteld met achterstanden die moeten worden ingehaald. Verweerder heeft ook niet gesteld dat het niet positief is als verzoeker een jaar doorwerkt. Dit zal ook geen invloed hebben op het personeelsbeleid.
Verzoeker stelt dat de beoordelingsvrijheid van verweerder niet mag leiden tot willekeur. Volgens hem hebben tenminste vier medewerkers bij verweerder wel mogen doorwerken na de AOW-leeftijd. Verweerder verwijst weliswaar naar het Strategisch Personeelsbeleid Rijk 2025, maar inmiddels treden er juist te weinig jonge medewerkers toe tot de arbeidsmarkt. Het laten doorwerken van oudere werknemers past binnen het Strategisch Personeelsbeleid Rijk 2025.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek van verzoeker om door te werken na de AOW-gerechtigde leeftijd terecht is afgewezen en dat deze afwijzing moet worden gehandhaafd. Uit de CAO Rijk blijkt dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de dag dat de werknemer de AOW-leeftijd bereikt en dat blijven werken alleen mogelijk is als werknemer en werkgever dat overeenkomen. De werknemer moet daarvoor een verzoek indienen en de werkgever zal op dat verzoek beslissen en daarbij een belangenafweging maken. Volgens verweerder komt een werkgever bij het maken van deze afweging een ruime beoordelingsvrijheid toe. Deze vrijheid kan alleen worden getoetst aan de beginselen van redelijkheid en billijkheid en de norm van goed werkgeverschap (een marginale toetsing).
Verweerder verwijst onder meer naar het Strategisch Personeelsbeleid Rijk 2025 waarin het kabinet als maatregel heeft opgenomen: “Bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd stromen medewerkers uit.” Volgens verweerder is dit zo opgenomen om te zorgen voor meer doorstroming en meer ruimte om nieuwe medewerkers aan te trekken. Daarmee wordt de samenstelling van het personeelsbestand binnen het Rijk meer in balans gebracht.
Verweerder concludeert aldus dat het verzoek moet worden afgewezen, nu is gehandeld in overeenstemming met de cao en dat de afwijzing van het verzoek om door te werken na de AOW-leeftijd valt binnen de beleidsvrijheid die verweerder heeft om dit soort afwegingen te maken.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
Tussen partijen is de vraag in geschil of verweerder terecht het verzoek tot doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd heeft mogen afwijzen.
De commissie constateert twee uitgangspunten: enerzijds eindigt de arbeidsovereenkomst op de dag waarop een werknemer de AOW-leeftijd bereikt en anderzijds kan worden afgeweken als partijen dat overeenkomen, na een verzoek van de werknemer daartoe en een expliciete afweging door de werkgever van de persoonlijke en financiële belangen en omstandigheden. Naar het oordeel van de commissie blijkt hieruit niet dat dit de enige omstandigheden zijn die bij deze beslissing moeten worden meegewogen, maar dienen alle relevante omstandigheden van het geval in de besluitvorming te worden betrokken. Het is derhalve niet uitgesloten dat andere belangen, zoals het belang van de organisatie, een rol bij deze afweging kunnen spelen.
In zijn verzoekschrift, pleitnota en tijdens de hoorzitting heeft verzoeker zijn persoonlijke en financiële belangen nader toegelicht. Daarbij heeft hij gewezen op de gezondheid van zijn partner en de afleiding die zijn werk hem in dat kader biedt. Verzoeker heeft ook toegelicht dat hij te maken heeft met een pensioengat, omdat hij pas op latere leeftijd naar Nederland is gekomen.
De commissie overweegt vervolgens dat ingevolge paragraaf 2.5 van de CAO Rijk op verweerder een plicht rust om de door verzoeker aangedragen persoonlijke en financiële belangen en overige relevante omstandigheden expliciet mee te wegen bij de beslissing. Naar het oordeel van de commissie blijkt uit de afwijzing van 8 oktober 2024 dat verweerder niet expliciet een afweging heeft gemaakt of bij verzoeker sprake is van zodanige belangen of omstandigheden dat het verzoek zou moeten worden ingewilligd.
De commissie is van oordeel dat de afwijzing onvoldoende is gemotiveerd omdat in de belangenafweging de persoonlijke omstandigheden niet expliciet zijn meegewogen. Omdat de commissie geen zicht heeft op deze persoonlijke omstandigheden kan zij daar niet in treden, zodat verweerder opnieuw dient te beslissen over het verzoek. Verweerder dient hiertoe eerst opnieuw in overleg te treden met verzoeker teneinde zicht te krijgen op diens financiële en sociale omstandigheden alvorens te beslissen.
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .