Inhoudsindicatie

Geschil over niet vergoeden van kosten voor rechtsbijstand

Zaaknummer(s) 2024-00302
Datum uitspraak
Categorie(ën) verschil van mening,
zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk
Ander onderwerp
Relevante cao-bepaling(en) H11
Uitkomst zaak (deels) gegrond

Waar gaat de zaak over?

Tegen de werknemer is een klacht ingediend door een externe organisatie. Dit omdat hij misbruik van zijn bevoegdheid als inspecteur zou hebben gemaakt om onder een parkeerboete uit te komen.

De werknemer vindt dat zijn aanvraag voor vergoeding van juridische kosten op basis van paragraaf 11.7 van de CAO Rijk ten onrechte is afgewezen door de werkgever. De werknemer wijst erop dat de klacht tegen hem en het onderzoek tijdens zijn actieve dienst als inspecteur plaatsvonden, zonder dat hij juridische ondersteuning van het Rijk kreeg. Hij vindt dat de werkgever als goed werkgever deze kosten had moeten vergoeden. Verder zegt de werknemer dat de werkgever ten onrechte onderscheid maakt tussen de klachtenprocedure en het onderzoek naar zijn gedrag, terwijl deze procedures met elkaar verbonden zijn. Hij stelt dat de arbeidsrechtelijke procedure is begonnen bij de aankondiging van zijn schorsing en niet na de klachtenprocedure, en dat deze procedure geen reden mag zijn voor het afwijzen van een vergoeding.

De werknemer legt uit dat de vertraging in het indienen van zijn verzoek te maken had met onduidelijkheid over de procedure. Hij vindt dat zijn teamleider hem direct had moeten informeren over de aanvraagprocedure en helderheid had moeten bieden in plaats van te verwijzen naar de cao. Daarnaast merkt hij op dat er binnen de dienst geen beleid is over het vergoeden van juridische kosten, wat kan leiden tot willekeur en ongelijke behandeling. Tot slot stelt de werknemer dat de miscommunicatie over zijn voorstel tot een beëindigingsovereenkomst hem geld heeft gekost, en dat de werkgever onzorgvuldig heeft gehandeld in de omgang met zijn verzoek. Hij vraagt de commissie of de werkgever zijn aanvraag juist heeft behandeld en op legitieme gronden heeft afgewezen.

De werkgever vindt dat de afwijzing van vergoeding van kosten voor juridische bijstand gerechtvaardigd is en komt met verschillende argumenten. Ten eerste heeft de werknemer een rechtsbijstandsverzekeraar, waar hij zich door juristen kon laten bijstaan, maar hij heeft gekozen voor een eigen advocaat. Ten tweede was de klachtenprocedure al afgerond op het moment dat de werknemer contact opnam met zijn advocaat. Derde punt is dat de werknemer zijn aanvraag niet tijdig heeft ingediend volgens de cao. Bovendien heeft de werknemer geen goede uitleg gegeven voor de late indiening. Volgens de werkgever valt de werknemer niet onder de situaties genoemd in de cao voor vergoeding van juridische kosten.

Daarnaast merkt de werkgever op dat de werknemer bij tijdige indiening mogelijk recht had gehad op vergoeding van zijn eigen bijdrage via zijn rechtsbijstandsverzekering, maar dat hij voor de kosten van zijn eigen gekozen advocaat verantwoordelijk is. Als de werknemer ook kosten voor arbeidsrechtelijke bijstand heeft aangevraagd, zijn deze te laat ingediend en onredelijk, omdat hij gebruik had kunnen maken van zijn verzekering. De werkgever besluit bovendien niet tot vergoeding van kosten vanwege de ernstige verwijtbaarheid van de werknemer en de aangifte die tegen hem is gedaan.

Hoe luidt de uitspraak van de commissie?

De commissie vindt dat de werkgever zich in de communicatie rondom de mogelijkheid tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de klachtprocedure niet als goed werkgever heeft gedragen en dat de werkgever de afwijzing van deze kosten niet geheel deugdelijk heeft gemotiveerd. De vergoeding van de kosten van rechtsbijstand door de door verzoeker gekozen advocaat had in verband met het recht op vrije advocaatkeuze niet mocht worden afgewezen vanwege het feit dat verzoeker zich door een jurist van zijn rechtsbijstandsverzekeraar had kunnen laten bijstaan.

De werkgever zou de vergoeding mogelijk wel kunnen afwijzen in verband met het (vermeende) feit dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar gedrag, en een strafbaar feit waar de werkgever strafrechtelijk aangifte van heeft gedaan. De commissie vindt echter dat de werkgever de uitkomst van de betreffende gerechtelijke procedure(s) zou moeten afwachten, alvorens een definitief besluit hierover te nemen, en in de tussentijd toepassing zou moeten geven aan de mogelijkheid om de vergoeding op voorlopige basis uit te betalen.

Daarnaast vindt de commissie dat de werkgever vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap aan verzoeker een vergoeding verschuldigd is voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de – met instemming van de werkgever – door de advocaat van verzoeker opgestelde beoogde beëindigingsregeling. Dit ongeacht de uitkomst van de nog te doorlopen gerechtelijke procedure(s). De omvang van de door verzoeker in dit kader opgevoerde kosten kunnen naar het oordeel van de commissie de toetsing aan de redelijkheid doorstaan.

Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting

De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.

Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.

Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.

Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .