Inhoudsindicatie

Bindende onvoorwaardelijke toezegging

Zaaknummer(s) 2024-00064
Datum uitspraak
Categorie(ën) verschil van mening,
zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk
Ander onderwerp
Relevante cao-bepaling(en) 6
Uitkomst zaak (deels) gegrond

Waar gaat de zaak over?

De werknemer vordert – kort samengevat – nakoming van de aan haar gedane toezegging dat zij met ingang van 1 juli 2020 wordt bevorderd naar de naastgelegen hogere salarisschaal 13 van de CAO Rijk. De toezegging is door haar toenmalig leidinggevende gedaan tijdens een functioneringsgesprek en nadien op schrift gesteld en door de toenmalige leidinggevende geaccordeerd. De werknemer stelt dat zij gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen aan deze door het bevoegd gezag uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk gedane en schriftelijk vastgelegde toezegging. Zij verzoekt de commissie om de werkgever te adviseren om haar al dan niet met terugwerkende kracht tot juli 2020 te bevorderen naar schaal 13.

De werkgever ziet geen aanleiding om de werknemer (met terugwerkende kracht) te bevorderen naar schaal 13. In het gespreksverslag van het functioneringsgesprek uit 2019 heeft de werknemer zelf opgenomen dat zij met haar toenmalige leidinggevende had afgesproken dat zij per 1 juli 2020 zou doorstromen naar schaal 13. De toenmalige leidinggevende heeft dit verslag geaccordeerd, maar de enkele accordering is niet concreet genoeg en kan daarom niet als een toezegging gelden. In de enkele accordering ligt immers niet de wilsuiting van de toenmalige leidinggevende zelf besloten om de werknemer te bevorderen naar schaal 13. Er is dan ook geen sprake van een duidelijke en ondubbelzinnige toezegging. Dit wordt bevestigd door de tekst in het verslag, dat de werknemer zich zou gaan oriënteren op het type functie dat bij haar past, haar sterke kanten en de werkzaamheden waarvan ze blij wordt. Ook blijkt uit de gespreksverslagen van en na 2019 niet naar welke functie de werknemer zou moeten doorstromen. Voor deze functies zijn ook andere competenties vereist. Tijdens de gesprekken die de afgelopen periode met de werknemer zijn gevoerd, heeft haar leidinggevende haar te kennen gegeven dat men haar niet geschikt acht voor een schaal 13 functie binnen de directie. De functies die vacant waren binnen de directie vereisten specifieke expertise. De werknemer is ondersteuning aangeboden in haar wens door te groeien naar een schaal 13 functie buiten de directie.

Hoe luidt de uitspraak van de commissie?

De commissie moet beoordelen of aan de werknemer een bindende onvoorwaardelijke toezegging is gedaan dat zij per 1 juli 2020 naar schaal 13 zou worden bevorderd waarop de werknemer gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De commissie gaat niet over de vraag of de werknemer aan de eisen voor een schaal 13 functie voldoet en welke functie daarvoor geschikt en passend is.

De commissie is van oordeel dat de zin in het gespreksverslag, “Met leidinggevende afgesproken dat ik per 1 juli 2020 doorstroom naar schaal 13”, in de gegeven context kan worden gezien als een bindende onvoorwaardelijke toezegging waarop de werknemer gerechtvaardigd mocht vertrouwen. In diezelfde context zijn echter geen redenen om de werknemer met terugwerkende kracht te bevorderen naar schaal 13.

Tijdens de hoorzitting gaf de werkgever aan dat de zin in het verslag onhandig is opgeschreven en geen toezegging bevat. De werkgever erkende echter ook dat de strekking van de zin en de intentie om de werknemer te bevorderen kloppen, nu dit is bevestigd door de toenmalige leidinggevende. De commissie ziet in deze erkenning van de werkgever, die bevestiging vindt in een overgelegde reactie van de voormalig leidinggevende, voldoende aanknopingspunten om de zin in het gespreksverslag, hoewel die naar de letter geen bindende onvoorwaardelijke toezegging bevat, in de gegeven context als zodanig te beschouwen. De commissie kent in dat verband een bijzonder gewicht toe aan de bevestigende verklaring van de toenmalige leidinggevende van de werknemer.

De commissie stelt vast dat de werknemer op de toezegging gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De werknemer kon en mocht begrijpen dat de toezegging door haar toenmalige leidinggevende bevoegdelijk is gedaan. De toenmalige leidinggevende heeft in ieder geval. Indien zij niet bevoegd was, de schijn gewekt dat zij bevoegd was om deze toezegging te doen of op zijn minst de indruk gewekt dat zij sprak namens de werkgever.

Dit betekent dat de toezegging door de werkgever moet worden nagekomen en de werknemer dient te worden bevorderd naar schaal 13. Terugwerkende kracht per 1 juli 2020 is echter om diverse redenen niet aan de orde. Een bevordering met ingang van de datum waarop de promotie wordt geformaliseerd, ligt dan in de rede. Op dat moment gaat de werknemer werkzaamheden op schaal 13 uitvoeren en ontvangt zij het bij die werkzaamheden behorende salaris. Als er geen werkzaamheden op schaal 13 zijn, is het risico voor de werkgever, maar de werknemer moet wel het bij schaal 13 behorende salaris krijgen.

De commissie is van oordeel dat aan de werknemer een bindende onvoorwaardelijke toezegging is gedaan waarop zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen en adviseert de werkgever in dat verband om haar per omgaande te bevorderen naar een functie op schaal 13.

Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting

De commissie moet beoordelen of aan de werknemer een bindende onvoorwaardelijke toezegging is gedaan dat zij per 1 juli 2020 naar schaal 13 zou worden bevorderd waarop de werknemer gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De commissie gaat niet over de vraag of de werknemer aan de eisen voor een schaal 13 functie voldoet en welke functie daarvoor geschikt en passend is.

De commissie is van oordeel dat de zin in het gespreksverslag, “Met leidinggevende afgesproken dat ik per 1 juli 2020 doorstroom naar schaal 13”, in de gegeven context kan worden gezien als een bindende onvoorwaardelijke toezegging waarop de werknemer gerechtvaardigd mocht vertrouwen. In diezelfde context zijn echter geen redenen om de werknemer met terugwerkende kracht te bevorderen naar schaal 13.

Tijdens de hoorzitting gaf de werkgever aan dat de zin in het verslag onhandig is opgeschreven en geen toezegging bevat. De werkgever erkende echter ook dat de strekking van de zin en de intentie om de werknemer te bevorderen kloppen, nu dit is bevestigd door de toenmalige leidinggevende. De commissie ziet in deze erkenning van de werkgever, die bevestiging vindt in een overgelegde reactie van de voormalig leidinggevende, voldoende aanknopingspunten om de zin in het gespreksverslag, hoewel die naar de letter geen bindende onvoorwaardelijke toezegging bevat, in de gegeven context als zodanig te beschouwen. De commissie kent in dat verband een bijzonder gewicht toe aan de bevestigende verklaring van de toenmalige leidinggevende van de werknemer.

De commissie stelt vast dat de werknemer op de toezegging gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De werknemer kon en mocht begrijpen dat de toezegging door haar toenmalige leidinggevende bevoegdelijk is gedaan. De toenmalige leidinggevende heeft in ieder geval. Indien zij niet bevoegd was, de schijn gewekt dat zij bevoegd was om deze toezegging te doen of op zijn minst de indruk gewekt dat zij sprak namens de werkgever.

Dit betekent dat de toezegging door de werkgever moet worden nagekomen en de werknemer dient te worden bevorderd naar schaal 13. Terugwerkende kracht per 1 juli 2020 is echter om diverse redenen niet aan de orde. Een bevordering met ingang van de datum waarop de promotie wordt geformaliseerd, ligt dan in de rede. Op dat moment gaat de werknemer werkzaamheden op schaal 13 uitvoeren en ontvangt zij het bij die werkzaamheden behorende salaris. Als er geen werkzaamheden op schaal 13 zijn, is het risico voor de werkgever, maar de werknemer moet wel het bij schaal 13 behorende salaris krijgen.

De commissie is van oordeel dat aan de werknemer een bindende onvoorwaardelijke toezegging is gedaan waarop zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen en adviseert de werkgever in dat verband om haar per omgaande te bevorderen naar een functie op schaal 13.