| Inhoudsindicatie | Geschil over het niet toekennen van PAS |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2023-00046 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Ander onderwerp |
| Relevante cao-bepaling(en) | Bijlage 20 |
| Uitkomst zaak | (deels) ongegrond |
Waar gaat de zaak over?
De werknemer stelt zich kortgezegd op het standpunt dat zij formeel gezien nog niet voldoet aan de voorwaarden van de PAS-regeling, maar dat in haar geval ruimte bestaat om een uitzondering daarop te maken, zodat zij wel van de PAS-regeling gebruik kan maken. De werknemer meent dat zij wel voldoet aan de voorwaarden 1, 2 en 4 van de regeling. Zij is namelijk ouder dan 58 jaar, zij heeft een arbeidsduur van 32 uur per week en ze heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.
De werknemer verkeerde in de veronderstelling dat zij al 20 jaar bij het Rijk werkzaam was omdat de vorige werkgever weliswaar niet op de lijst staat van organisaties die onderdeel uitmaken van de Staat, maar volgens de website https://www.werkenvoornederland.nl/organisaties/onderzoeksraad-voor-veiligheid) wél tot de Rijkoverheid behoort.
Voormalig collega’s van de vorige werkgever maken volgens de werknemer wel gebruik van de PAS-regeling. Volgens de P-adviseur van de vorige werkgever kan een werkgever bij het al dan niet toekennen van de PAS-regeling rekening houden met de geest van de wet, en de onafhankelijke positie van de werkgever als achterliggende reden voor het ontbreken van de vorige werkgever in de lijst van organisaties die tot de Staat behoren.
De werkgever stelt zich op het standpunt dat de werknemer niet in aanmerking komt voor deelname aan de PAS-regeling vanwege het feit dat de vorige werkgever een zelfstandig bestuursorgaan (hierna: zbo) met rechtspersoonlijkheid is die niet tot de Staat behoort, maar op grond van artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wel verplicht is de CAO Rijk toe te passen.
De in de CAO Rijk opgenomen PAS-regeling vereist een aaneengesloten arbeidsovereenkomst van minimaal vijf jaren met de Staat. De werknemer heeft per begin 2019 een arbeidsovereenkomst met de Staat en voldeed ten tijde van haar aanvraag niet aan de vijfjaren-eis.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
De wetgever heeft bepaald dat de arbeidsvoorwaarden die opgenomen zijn in de CAO Rijk ook gelden voor het personeel van bepaalde krachtens publiekrecht ingestelde zbo’s met eigen rechtspersoonlijkheid. Volgens het zbo-register is de werkgever een dergelijk zbo. (zie artikel 15 lid 1 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen).
Op grond van bijlage 20, voorheen § 3.3 van de CAO Rijk kan een medewerker in aangewezen gevallen vragen om deel te nemen aan de PAS-regeling als hij onder meer vijf jaar of langer aaneengesloten een arbeidsovereenkomst heeft met de Staat. In de uitleg van cao-partijen zijn zbo’s met eigen rechtspersoonlijkheid expliciet uitgezonderd van het begrip ‘’werkgever’’ en dus van het begrip Staat der Nederlanden, zoals opgenomen in de cao. Zij maken derhalve ook geen deel uit van de sector Rijk.
Op grond van vorenstaande stelt de commissie vast dat de werknemer tot begin 2019 geen arbeidsovereenkomst had met de Staat. Zodoende voldeed zij in 2023 niet aan de vijfjareneis om aanspraak te kunnen maken op de PAS-regeling. De commissie begrijpt het standpunt van de werknemer aldus dat zij zich realiseert formeel niet aan de voorwaarden van de PAS-regeling te voldoen, maar dat volgens haar ruimte bestaat voor een uitzondering. De commissie overweegt hierover het volgende.
Gelet op de tekst van de cao en vaste jurisprudentie van De Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687, r.o. 3.4 en 3.5, kan de door de werknemer gewenste uitzondering naar het oordeel van de commissie niet worden gemaakt. De stelling van de werknemer dat medewerkers van de vorige werkgever wél gebruik maken van de PAS-regeling, vanwege een uitleg ‘naar de geest van de cao-bepaling’, maakt dit niet anders. De werknemer valt door haar huidige dienstverband rechtstreeks onder de CAO Rijk. Van een overeenkomstige werking is geen sprake meer. De werknemer kan aan de praktijk bij de vorige werkgever dan ook geen rechten ontlenen.
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .