| Inhoudsindicatie | Geschil over de inschaling van een functie |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2022-00286 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Of aan werkzaamheden goede salarisschaal is verbonden |
| Relevante cao-bepaling(en) | 6.1 |
| Uitkomst zaak | (deels) ongegrond |
Waar gaat de zaak over?
De werknemer vindt dat bij zijn inschaling ten onrechte geen rekening is gehouden met de ‘Afspraken Werving Instroom Programma 2016+’, onderdeel van het document ‘Handreiking arbeidsvoorwaarden voor individuele en groepsfuncties, versie januari 2018’ (hierna: ‘de handreiking’). Volgens de werknemer had hij, rekening houdend met zijn relevante werkervaring, ingeschaald moeten worden in trede 14. Volgens de werknemer blijkt uit het feit dat hij in juli 2024 hoger is ingeschaald dat de inschaling op het moment van indiensttreding niet juist is geweest
Volgens de werknemer kan hem niet worden verweten dat hij pas medio 2023 tot de conclusie is gekomen dat de inschaling destijds niet juist heeft plaatsgevonden. Dit omdat de werknemer in het kader van goed werkgeverschap bij de gesprekken over de arbeidsvoorwaarde erop mocht vertrouwen dat de betreffende medewerker de inschaling op een juiste manier had toegepast. Verder was de werknemer destijds niet op de hoogte van de handreiking. De werknemer heeft deze pas eind 2023 via de OR ontvangen. Daarom kan de werknemer niet worden tegengeworpen dat hij met de inschaling heeft ingestemd en dat hij toentertijd geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar tegen het inschalingsbesluit in te stellen.
De werknemer wenst met terugwerkende kracht ingeschaald te worden in Groepsfunctie-I, trede 14. Het salarisverschil dient volgens de werknemer nabetaald te worden, inclusief IKB, en de pensioenbijdrage van zowel de werkgever als de werknemer zal aan het ABP moeten worden afgedragen. Daarnaast maakt de werknemer aanspraak op de wettelijke rente over de nabetaling.
De werkgever stelt zich op het standpunt dat de werknemer juist is ingeschaald en dat er thans geen mogelijkheden zijn om op de inschaling terug te komen. De werknemer is in 2018 akkoord gegaan met de voorgestelde arbeidsvoorwaarden. De werknemer heeft op geen enkel moment bezwaar gemaakt tegen zijn inschaling. Hierdoor is het besluit voor indiensttreding en daarbij behorende inschaling onherroepelijk geworden. Van nieuwe feiten en omstandigheden is niet gebleken.
Omdat de burgerlijke rechtsgang volgens de Hoge Raad niet kan worden benut als alternatieve rechtsgang voor de bestuursrechtelijke rechtsgang, wordt in het civiele recht slechts in zeer uitzonderlijke situaties een uitzondering gemaakt op de regel van de formele rechtskracht. Een dergelijke zeer uitzonderlijke situatie doet zich in geval van de werknemer niet voor. Voor het geval de Geschillencommissie van oordeel is dat het aanstellingsbesluit niet onherroepelijk is en dat met terugwerkende kracht kan worden teruggekomen op de inschaling van de werknemer, geeft de werkgever mee dat inschaling een zorgvuldig proces is dat in geval van de werknemer correct is verlopen.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
De commissie constateert dat het oorspronkelijke aanstellingsbesluit uit 2019 onder het toenmalige bestuursrechtelijke regime viel. Daarbij geldt als uitgangspunt dat, nu de werknemer niet binnen de daarbij geldende termijnen bezwaar en beroep tegen het besluit heeft aangetekend, het besluit onherroepelijk is geworden en daarmee in recht is komen vast te staan, zodat het verzoek in de onderhavige procedure dan geen doel kan treffen. Er is geen sprake van omstandigheden welke een uitzondering op deze regel zouden steunen.
De commissie vindt dat het initiële aanstellingsbesluit, inclusief de inschaling, gelet op de onherroepelijkheid van dat besluit, in de onderhavige procedure niet meer kan worden aangevochten. Het verzoek om de initiële inschaling met terugwerkende kracht op te hogen wordt derhalve als zodanig niet-ontvankelijk verklaard, alsook het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .