| Inhoudsindicatie | Geschil over functiewaardering |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2022-00200 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Of aan werkzaamheden goede salarisschaal is verbonden |
| Relevante cao-bepaling(en) | H6 |
| Uitkomst zaak | (deels) ongegrond |
Waar gaat de zaak over?
De werknemers verzoeken de commissie om uit te spreken dat de door hen uitgevoerde functie dient te worden ingedeeld in salarisschaal 12. De werknemers hebben een eigen rapportage opgesteld inzake de indeling van hun functie. Op grond van deze rapportage komen de werknemers tot de conclusie dat de door hen uitgevoerde functie qua zwaarte behoort te worden ingedeeld in schaal 12, terwijl aan een aantal aspecten van schaal 13 wordt voldaan.
De werknemers geven aan dat de door UBR gehanteerde functiebeschrijvingen onduidelijk zijn, niet transparant tot stand gekomen en niet deugdelijk onderbouwd. Daarnaast is sprake van formele gebreken in de besluitvorming omdat geen onderbouwing is gegeven omtrent de totstandkoming van de rapportage van UBR en het achterwege laten van een conversietabel op grond waarvan zou blijken dat de functie dient te worden ingedeeld conform schaal 11.
Verder zijn de niveau verhogende elementen ook van toepassing op de door de werknemers uitgevoerde functie zodat hun functie eveneens dient te worden ingedeeld conform schaal 12.
Alles overziend is naar de mening van de werknemers bij het nemen van het besluit sprake van het hanteren van een verouderde functiebeschrijving, daar waar het samenstel van werkzaamheden zoals opgenomen in het door de werknemers opgestelde rapport wel actueel is en volgens de werknemers dient te leiden tot een indeling in schaal 12.
De werkgever geeft aan dat de door het werknemers opgestelde rapport eenzijdig tot stand is gekomen, de werkgever is hierbij niet betrokken. Naar de mening van de werkgever is in het door de werknemers opgestelde rapport uitgegaan van FGR-beschrijvingen en niet van de feitelijk opgedragen werkzaamheden.
De werkgever heeft de juiste procedure gevolgd en de werknemers steeds betrokken bij het opstellen van het rapportage. Ten aanzien van de conclusie van de werknemers dat schaal 12 aan de orde is, merkt de werkgever op dat sprake is van een doelredenering. Daarnaast verwijst de werkgever wederom naar het rapport van UBR waar in paragraaf 3.2 is verwoord en gemotiveerd waarom de huidige inschaling passend is bij de inhoud van de functie.
Voorts geeft de werkgever aan dat voor de waardering van de functie gebruik is gemaakt van het FGR. Er is niet ingedeeld met behulp van het functiewaarderingssysteem Fuwasys. Wel zijn in het FGR de Fuwasys scoreprofielen opgenomen. Deze corresponderen met elkaar.
Ten aanzien van de overeenkomst met de senior functie van senior, geeft de werkgever aan dat uit het rapport juist blijkt dat wel sprake is van verschillende functies. De werkgever is van mening dat het rapport van UBR inzichtelijk en weloverwogen is opgesteld, van een motiveringsgebrek is naar de mening van de werkgever geen sprake.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
Ten aanzien van de inzet van UBR is de commissie van oordeel dat dit de organisatie is binnen de Rijksoverheid die als opdracht heeft om functies te ontwerpen, beschrijven en waarderen. Het is de functie- en functiewaarderingsexpert binnen de Rijksoverheid. De adviseurs zijn daartoe gecertificeerd. Er is naar de mening van de commissie geen enkele grond om de inzet van UBR ter discussie te stellen.
Ten aanzien van de procedure overweegt de commissie dat meerdere afgevaardigden van de werknemers zijn gehoord. De leidinggevenden van de werknemers zijn bevraagd. De functie is voorgelegd aan partijen. Er is ruimte geboden voor het plaatsen van opmerkingen. Pas daarna is de functie gewaardeerd. Naar de mening van de commissie is in voldoende mate ruimte geboden om input te kunnen leveren waardoor sprake is van een correcte en zorgvuldige procedure.
Ten aanzien van het functiewaarderingssysteem merkt de commissie op, dat de cao Rijk aangeeft dat functies worden ingedeeld met behulp van het FGRi. Als indeling in het FGR niet (goed) mogelijk is, kan gebruik worden gemaakt van Fuwasys. De commissie wijst er op dat bij In het FGR bij de functietyperingen de Fuwasys scores worden vermeld en dat indeling en waardering congruent dienen te zijn. Verweerder heeft FGR toegepast. Dat is naar het oordeel van de commissie correct.
Allereerst is het de werkgever die verantwoordelijk is voor het bereiken van de organisatiedoelstellingen. Hiertoe is het aan de werkgever om de organisatie zodanig in te richten als voor het bereiken van de organisatiedoelstellingen het meest dienstig is. De functiebeschrijving is een afgeleide van de organisatie-inrichting, zodat de werkgever een bepaalde beleidsvrijheid heeft bij het opstellen van de functie(beschrijving). Voorts blijkt uit het beschreven proces dat de werknemers een behoorlijke mate van input is vergund.
Daarnaast is niet of nauwelijks expliciet aangegeven welke zaken de werknemers missen in de functiebeschrijving. Van de zaken die zij wel hebben vermeld, heeft de werkgever aangegeven dat deze deel uitmaken van de functiebeschrijving en zijn betrokken bij de weging van de zwaarte van de functie.
De commissie is van oordeel dat de functiebeschrijving, zoals opgenomen in het rapport van UBR, een voldoende getrouw beeld geeft van de werkzaamheden van de werknemers en als zodanig ook kan gelden als uitgangspunt voor de waardering.
Naar het oordeel van de commissie is onvoldoende gebleken dat het in de functie van de werknemers gaat om multidisciplinaire toezichtactiviteiten vanuit meerdere toezichtgebieden met een brede nationale en internationale doorwerking, een sterke verwevenheid met aanpalende inspecties; het zelfstandig handelen in een spanningsveld tussen doelstellingen toezichtbeleid en wat technisch, financieel e.d. wordt gewenst. De commissie constateert dat zowel een indeling conform FGR als een waardering conform Fuwasys tot eenzelfde uitkomst leiden.
Hoewel de commissie niet meer toekomt aan de vraag omtrent de mate van terugwerkende kracht, hecht de commissie er aan om te vermelden dat een eventuele terugwerking zou worden gestuit door de herwaarderingsaanvraag. Voorts zou op grond van artikel 3:308 BW een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaren kunnen gelden.
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .