Inhoudsindicatie

Geschil over toekenning IKB-budget rondom aanschaf fietsverzekering

Zaaknummer(s) 2022-00197
Datum uitspraak
Categorie(ën) verschil van mening,
zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk
Ander onderwerp
Relevante cao-bepaling(en) 9.1
Uitkomst zaak niet-ontvankelijk

Waar gaat de zaak over?

De werknemer heeft een fiets aangeschaft en hiervoor een deel van zijn IKB-budget ingezet. Hij heeft later een tweede verzoek ingediend voor het gebruik van zijn IKB budget voor de fietsverzekering. Dit verzoek is afgewezen, omdat volgens de regels van P-direkt en de informatie op het Rijksportaal de verzoeken voor de fiets en de verzekering gelijktijdig moeten worden ingediend.

Het is de werkgever niet duidelijk waarom door P-Direkt kennelijk als eis wordt gesteld dat de verzekering gelijktijdig met de aanschaf van de fiets wordt afgesloten c.q. ingediend. P-Direkt wijst erop dat in § 9.1 van de CAO Rijk staat dat het IKB-budget voor het fiscaal vriendelijke doel ‘Fiets’ kan worden benut ‘voor fiets en accessoires samen met daarnaast een bij aanschaf van de fiets afgesloten fietsverzekering’. In de uitleg van cao-partijen, die onlosmakelijk is verbonden met de CAO Rijk, staat vervolgens dat het IKB-budget voor een fiscaal vriendelijk doel in een keer moet worden ingezet. Het IKB-budget mag dus worden benut voor een fietsverzekering, mits bij aanschaf van de fiets afgesloten en in een keer ingezet voor het fiscaal vriendelijke doel ‘Fiets’.

Hoe luidt de uitspraak van de commissie?

De commissie constateert dat in de toelichting bij § 9.1 (Individueel keuzebudget) zoals deze valt te raadplegen via www.caorijk.nl vermeld staat: ‘Als u IKB-budget wilt inzetten voor een fiscaal vriendelijk doel moet u dat in een keer doen.’ Waar het in deze zaak vooral op neerkomt, is dat het kader op grond van de cao geen ruimte laat om van het vereiste van het in één keer indienen van de aanvraag af te wijken.

Afwijking van het geldende kader op grond van de cao ligt temeer niet in de rede nu in § 1.1 van de cao is bepaald dat niet (althans slechts in overleg tussen cao-partijen) van de cao-bepalingen kan worden afgeweken. Dit betreft evenzeer afwijkingen ten gunste van de werknemer.

De commissie zou slechts kunnen oordelen dat bepaalde onderdelen van de cao-afspraken buiten toepassing zouden moeten blijven als hun toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek). In dat licht heeft de commissie zich gebogen over het argument van de werknemer dat er geen aanwijsbare reden zou zijn waarom de werkgever of P-Direkt aan de stringente toepassing van het vereiste van het indienen van de aanvraag in één keer vast zou houden.

De achtergrond bij dit vereiste is het geldende fiscale kader. Daarmee staat voor de commissie voldoende vast dat er een valide belang bestaat bij de handhaving van dit vereiste, zodat het vasthouden hieraan van de zijde van de werkgever niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden geacht. Hetgeen de werknemer heeft gesteld omtrent de (in zijn beleving) gebrekkige informatievoorziening omtrent dit vereiste doet hier naar het oordeel van de commissie niet aan af.

Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting

De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.

Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.

Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.

Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .