| Inhoudsindicatie | Geschil over als functievolger aanmerken na reorganisatie |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2022-00094 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Of werkzaamheden passen binnen functiegroep Functiegebouw Rijk |
| Relevante cao-bepaling(en) | 14.1 |
| Uitkomst zaak | (deels) ongegrond |
Waar gaat de zaak over?
Het geschil betreft de plaatsing van de werknemer als functievolger in het kader van een reorganisatie.
Volgens de werknemer kan zij niet worden aangewezen als functievolger op een coördinerende functie. De werknemer vindt dat de functies te zeer verschillen. Zij wijst op het verschuiven van het functioneren als businesspartner naar een coördinerende rol ten aanzien van collega’s. Daarnaast is sprake van een verschil in benodigd opleidingsniveau en benodigde kennis en vaardigheden.
De werkgever wijst erop dat het Organisatie- en Formatierapport na positief advies van de OR is vastgesteld. Op grond van het convenant met de medezeggenschap worden geen medewerkers boventallig verklaard. Verder is het uitgangspunt de medewerkers binnen de afdeling te plaatsen. In de nieuwe situatie is nadrukkelijker aandacht voor strategische advisering op het gebied van organisatievraagstukken. De werkgever wijst op artikel 13 van de Ontslagregeling waarin is aangegeven wanneer sprake is van uitwisselbare functies. Het gaat om limitatieve criteria. Volgens de werkgever kunnen functies uit verschillende functiegroepen wel uitwisselbaar zijn. Het gaat om vergelijking van wat de functie in de praktijk behelst en onder algemene omstandighedenmoet worden uitgevoerd, alsmede het werk- en denkniveau. Daarbij wijst de werkgever op een arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2019.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
Op de hoorzitting is gebleken dat het de werknemer voornamelijk gaat om het verkrijgen van een uitspraak ten aanzien van de uitwisselbaarheid van functies en het al dan niet kunnen aanwijzen van functievolgers. Daarnaast is opgemerkt dat de werknemer vrede heeft met de ontstane situatie maar dat zij de belangen van andere werknemers wil waarborgen.
De commissie meent dat het niet haar opdracht is om het te volgen beleid nader toe te lichten. Bij geschilbehandeling gaat het om het behandelen van persoonlijke geschillen. Daarom rijst de vraag wat nog het belang van de werknemer is.
De commissie overweegt dat de werkgever kan reorganiseren en daarbij een relatieve vrijheid heeft om de organisatie zodanig in te richten als zij voor het behalen van de organisatiedoelen het meest dienstbaar acht. Het gevolg van een reorganisatie kan zijn dat een iets andere gerichtheid ontstaat hetgeen invloed heeft op de inhoud van functies.Uit het recht van de werkgever om aanpassingen te plegen aan de organisatie vloeit logischer wijs voort dat werkzaamheden van medewerkers kunnen veranderen. De procedure die in de uitvoeringsplannen is opgenomen is naar het oordeel van de commissie correct gevolgd en de OR is geraadpleegd.
Voor wat betreft de uitwisselbaarheid van de functies merkt de commissie op, dat uit artikel 13 van de ontslagregeling onder meer volgt dat het vaststellen van de uitwisselbaarheid van functies gebeurt op basis van toetsing van de functieprofielen die bestaan uit een kernprofiel en een kwaliteitenprofiel. Daarnaast is uitgangspunt dat een werknemer vrijwel direct inzetbaar moet zijn in de andere – uitwisselbare – functie. Indien deze overdrachtsperiode redelijkerwijs te lang is, zijn de functies niet uitwisselbaar. Wat in het gegeven geval een redelijke overdrachtsperiode is, dient aan de hand van bijvoorbeeld de complexiteit van de functies beoordeeld te worden, waarbij een periode van enkele dagen tot enkele weken gehanteerd dient te worden voor de bepalende, essentiële functie-eisen en drie tot zes maanden voor de minder bepalende functie-eisen.
Op de hoorzitting is gebleken dat nagenoeg geen behoefte was aan een inwerkperiode. Verder is het de commissie niet gebleken dat sprake is van een verslechtering van de rechtspositie, nu de schaalindeling, de salariëring en ook de overige arbeidsvoorwaarden gelijk zijn gebleven. Dat sprake zou zijn van een beperking van de mogelijkheden van de werknemer doordat loopbaanpaden zouden veranderen ziet de commissie niet. Immers, het Functiegebouw Rijk kent geen loopbaanpaden, maar is een verzameling logisch en naar niveau gegroepeerde generieke functiebeschrijvingen. Indien een werknemer een andere functie ambieert, dient de werknemer zich te kwalificeren aan de inhoud van het kwaliteitenprofiel. Dit geldt voor geambieerde functies zowel binnen als buiten de eigen functiefamilie.
Daarnaast merkt de commissie op dat indien de werknemer niet zou worden geplaatst als functievolger, het alternatief een Van Werk Naar Werk traject zou kunnen inhouden. Dit zou strijdig zijn met de personeelsvertegenwoordiging gemaakte afspraak dat overtolligheid dient te worden vermeden. Concluderend vindt de commissie dat het besluit om de werknemer als functievolger te niet onbillijk of onredelijk kan worden genoemd.
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .