| Inhoudsindicatie | Geschil over omgang met roosterdiensten en verlof in het kader van de Regeling Partiële Arbeidsparticipatie (PAS). |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2026-00090 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Ander onderwerp |
| Relevante cao-bepaling(en) | 3.2 |
| Uitkomst zaak | (deels) gegrond |
Waar gaat de zaak over?
De werknemer maakt gebruik van de Regeling Partiele Arbeidsparticipatie (PAS), die voor werknemers die reeds vóór 1 januari 2022 bij de werkgever in dienst waren toegankelijk is op grond van paragraaf 26.3 van de CAO Rijk (overgangsregeling). De werknemer heeft met zijn vorige leidinggevende afspraken gemaakt over het opnemen van zijn PAS-verlof op een vaste dag, die hij geheel vrij nam. Inmiddels wordt in het team waarin de werknemer werkt toepassing gegeven aan het zogenaamde ‘meeroosteren’, een flexibele variant van roosteren waarbij de teamleden zelf een belangrijk aandeel hebben bij de roostering.
Verzoeker stelt dat onder de huidige leidinggevende en sinds toepassing wordt gegeven aan ‘meeroosteren’ niet op de juiste manier met zijn recht op PAS-verlof wordt omgegaan. Omdat de Leidraad die onderdeel uitmaakt van het personeelsreglement van de organisatie voorschrijft dat bij het toepassen van flexibele varianten van roosteren het recht op PAS-verlof moet worden gerespecteerd, bestaat geen ruimte om hier in aanvullende beleidsdocumenten van af te wijken. De werknemer vraagt de commissie om te bevestigen dat de teamleider en de planner bij het vaststellen van het rooster hiermee rekening moeten houden.
De werkgever stelt zich op het standpunt dat de werknemer geen belang heeft bij het verkrijgen van een uitspraak van de commissie. Dit omdat volgens de werkgever geen verschil van inzicht over de regels bestaat, en in de praktijk op de juiste manier toepassing hieraan wordt gegeven. De afgelopen jaren is slechts zeer zelden noodzakelijk geweest om af te wijken van het door verzoeker gewenste arbeidspatroon. Uitgangspunt is en blijft dat de werknemer zoveel mogelijk op een vaste dag vrij heeft.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
De commissie vindt dat de werknemer belang heeft bij een uitspraak over zijn rechten en verplichtingen, en gaat daarbij als eerste in op de verhouding tussen de verschillende regelingen die door partijen ter sprake zijn gebracht. De commissie constateert dat in de Leidraad die onderdeel uitmaakt van het personeelsreglement vermeld staat dat hier enkel in overleg met De Groepsondernemingsraad Rijk (GOR) van kan worden afgeweken. Het is de commissie niet duidelijk of het aanvullende document over meeroosteren aan dit vereiste voldoet. In dit aanvullende document wordt echter als ambitie genoemd het recht op PAS-verlof te respecteren. Daarom ziet de commissie hierin geen grondslag voor afwijking van de Leidraad.
In de Leidraad staat vermeld:
“Inplannen van het PAS-verlof Maakt een werknemer gebruik van de PAS-regeling, dan zorgt de planner (in overleg met de werknemer en de teamleider) dat het PAS-verlof zo veel mogelijk op een vaste dag door de week wordt ingepland. Daarbij wordt rekening gehouden met dagen waarop de werknemer geen dienst heeft, zodat het PAS-verlof gelijkmatig over het jaar wordt ingezet.
Opsparen van PAS-verlof niet mogelijk Het is niet de bedoeling om PAS-verlof op te sparen. Vandaar dat al het PAS-verlof aan het begin van het jaar voor het gehele jaar moet worden ingepland. Lukt het gedurende het jaar in een bepaalde week niet om PAS-verlof te genieten (bijvoorbeeld door een wijziging in het rooster), dan dient het PAS-verlof naar een andere dag verschoven te worden.”
Hieruit blijkt naar het oordeel van de commissie dat het PAS-verlof als uitgangspunt op een vaste dag wordt ingepland, en bovendien aan het begin van het jaar voor het hele jaar moet worden ingepland. Aangezien dit als uitgangspunt vermeld staat, kan van deze roostering slechts in bijzondere gevallen, wanneer zwaarwegend dienstbelang de inzet van de betreffende medewerker op een andere dag of tijdstip vergt, worden afgeweken. Het feit dat de werkgever (na afstemming met het team waarin verzoeker werkt) heeft gekozen voor de systematiek van het meeroosteren, biedt naar het oordeel van de commissie op zichzelf geen grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken.
Naar het oordeel van de commissie volgt uit de Leidraad dat verweerder is gehouden om in bijzondere gevallen waarin het zwaarwegend dienstbelang de inzet van de betreffende medewerker in afwijking van het door verzoeker gewenste werkrooster vergt, zo veel mogelijk te voorkomen dat daarmee de (gemiddelde) arbeidsduur van de weknemer, daarbij rekening houdend met de door hem gewenste vaste wekelijkse opname van PAS-verlof.
Tijdens deelname aan de PAS-regeling kunnen geen reguliere ‘compensatie-uren’ (opbouw verlofuren wegens onbetaald meer uren werken) als bedoeld in paragraaf 3.2 van de cao worden opgebouwd. Dit wordt bevestigd in de Leidraad. In verband hiermee is de werkgever naar het oordeel van de commissie gehouden om de inzet van de werknemer boven de (gemiddelde) arbeidsduur van de werknemer te beperken tot zeer uitzonderlijke noodsituaties. Overschrijding van de (gemiddelde) arbeidsduur in dergelijke zeer uitzonderlijke situaties geeft de werknemer evenwel geen recht op opbouw van extra PAS-verlof.
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .