Inhoudsindicatie

Geschil over definitie dienstreis / recht op maaltijdvergoeding

Zaaknummer(s) 2026-00216
Datum uitspraak
Categorie(ën) verschil van mening,
zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk
Ander onderwerp
Relevante cao-bepaling(en) 10.2
Uitkomst zaak (deels) gegrond

Waar gaat de zaak over?

Werknemers (weginspecteurs) hebben over de periode 2020 tot en met medio 2025 declaraties voor maaltijdvergoedingen ingediend, nadat de werkgever op 13 oktober 2025 per e-mail had gestuurd dat weginspecteurs onder voorwaarden, zoals in de cao opgenomen, wel aanspraak kunnen maken op een maaltijdvergoeding. De werkgever heeft deze declaraties afgewezen, omdat zij niet binnen de in de CAO Rijk opgenomen vervaltermijn van drie maanden waren ingediend.

Werknemers stellen dat zij jarenlang vanuit de organisatie de informatie hebben gekregen dat maaltijdvergoedingen niet of slechts in uitzonderlijke gevallen konden worden gedeclareerd. Hierdoor is bij werknemers het vertrouwen ontstaan dat reguliere maaltijdvergoedingen niet mogelijk waren. Volgens werknemers mochten zij, gelet op deze consistente en langdurige communicatie, er redelijkerwijs van uitgaan dat het indienen van declaraties geen zin had. Werknemers stellen dat dit vertrouwen bovendien is versterkt doordat een eerder door hen ingediende declaratie daadwerkelijk is afgewezen. Werknemers zijn daarom van mening dat de afwijzing van hun verzoek uitsluitend is gebaseerd op het verstrijken van de aanvraag- dan wel declaratietermijn, zonder dat daarbij voldoende gewicht is toegekend aan de bijzondere omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de declaraties niet eerder zijn ingediend.

In juni 2026 heeft de werkgever per e-mail toegelicht dat in de e-mail van 13 oktober 2025 niet expliciet was vermeld dat weginspecteurs geen dienstreizen maken in de zin van de CAO Rijk en daarom geen recht hebben op een maaltijdvergoeding. Werkgever stelt dat geen sprake is van een dienstreis in de zin van de CAO Rijk wanneer het gaat om een functie waarin structurele reisbewegingen onderdeel uitmaken van de functie zelf. Volgens werkgever behoort het reizen voor weginspecteurs tot de normale dienstverrichting. Het reizen vindt daarmee niet plaats in verband met het verrichten van de werkzaamheden, maar vormt onderdeel van de werkzaamheden.

Daarnaast stelt werkgever dat, hoewel in het Personeelsreglement is bepaald dat weginspecteurs een vaste maandelijkse reissom ontvangen in plaats van de in de CAO opgenomen vergoeding voor kleine uitgaven overdag omdat zij dagelijks dienstreizen maken, dit niet betekent dat het dagelijkse werk van werkinspecteurs daadwerkelijk en materieel als het dagelijks maken van een dienstreis kan worden aangemerkt. Volgens werkgever maken weginspecteurs immers niet dagelijks een dienstreis in de zin van de CAO Rijk.

Indien de commissie van oordeel is dat werknemers wel recht hebben op de maaltijdvergoeding, dan stelt werkgever dat de vervaltermijn van drie maanden, zoals opgenomen in paragraaf 10.2 van de CAO Rijk, onverkort geldt. De kosten van maaltijden die buiten deze termijn zijn gedeclareerd, komen volgens werkgever daarom niet meer voor vergoeding in aanmerking. Werkgever stelt dat de vervaltermijn de rechtszekerheid dient. Bij onkostendeclaraties is het volgens werkgever van belang dat deze binnen een redelijke termijn worden ingediend, zodat zij nog kunnen worden gecontroleerd en duidelijkheid bestaat over de financiële gevolgen daarvan. Werkgever stelt, dat deze vervaltermijn daarom niet buiten toepassing worden gelaten.

Hoe luidt de uitspraak van de commissie?

De commissie oordeelt dat de reizen die weginspecteurs voor hun werkzaamheden maken, dienstreizen zijn in de zin van de CAO Rijk. De commissie wijst erop dat de CAO Rijk een algemene definitie van het begrip ‘dienstreis’ bevat. Daarnaast volgt uit het personeelsreglement en de toelichting daarop dat voor weginspecteurs wordt uitgegaan van het dagelijks maken van dienstreizen. Dat de reisbewegingen een terugkerend of structureel onderdeel vormen van de werkzaamheden van weginspecteurs, doet er niet aan af dat sprake is van reizen die in opdracht van de werkgever worden gemaakt in het kader van de uitoefening van de functie.

Verder stelt de commissie dat gedurende lange tijd onduidelijkheid heeft bestaan over de vraag of weginspecteurs recht hebben op een maaltijdvergoeding. Jarenlang is vanuit de organisatie gecommuniceerd dat maaltijdkosten niet of slechts in uitzonderlijke gevallen konden worden gedeclareerd. In oktober 2025 liet de werkgever vervolgens weten dat weginspecteurs onder voorwaarden wel aanspraak kunnen maken op een maaltijdvergoeding. In juni 2026 stelde de werkgever echter dat hiervan toch geen sprake kon zijn, omdat weginspecteurs volgens hem geen dienstreizen maken.

Volgens de commissie komt deze onduidelijkheid voor rekening en risico van de werkgever. Onder deze omstandigheden is het niet in overeenstemming met goed werkgeverschap om werknemers tegen te werpen dat zij hun declaraties niet binnen de vervaltermijn van drie maanden hebben ingediend. Daarbij weegt de commissie mee dat de werkgever zijn gewijzigde uitleg van de arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig per e-mail kon doorvoeren. Zo’n e-mail is volgens de commissie geen formeel besluit en ook geen rechtsgeldige wijziging van de arbeidsvoorwaarden.

De commissie merkt op dat dit gevolgen kan hebben voor de vraag in hoeverre weginspecteurs alsnog aanspraak kunnen maken op een maaltijdvergoeding over in het verleden gemaakte dienstreizen. De commissie is adviseert daarom om met de sociale partners hierover te overleggen en duidelijke afspraken te maken, zowel voor de afhandeling van aanspraken uit het verleden als voor de toepassing van de regeling in de toekomst.

 

De commissie benadrukt tot slot dat deze uitspraak niet betekent dat iedere declaratie automatisch voor vergoeding in aanmerking komt. Verzoekers en andere weginspecteurs zullen per declaratie aannemelijk moeten maken dat zij voldoen aan de voorwaarden voor een maaltijdvergoeding uit de CAO Rijk.

Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting

De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.

Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.

Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.

Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.

Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl