| Inhoudsindicatie | Rechtmatigheid van een schriftelijke berisping |
|---|---|
| Zaaknummer(s) | 2026-00013 |
| Datum uitspraak | |
| Categorie(ën) verschil van mening, zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk |
Een straf die uw werkgever wil opleggen |
| Relevante cao-bepaling(en) | 15 |
| Uitkomst zaak | (deels) ongegrond |
Waar gaat de zaak over?
De werkgever heeft een straf opgelegd aan werknemer, namelijk een schriftelijke berisping. Een collega van de werknemer heeft een melding ingediend over een integriteitsschending begaan door de werknemer. De melding hield in dat de werknemer in strijd met de Gedragscode Integriteit Rijk heeft gehandeld en zich niet als een goed ambtenaar heeft gedragen. De werknemer heeft zich volgens de collega tijdens een autorit grensoverschrijdend gedragen door uit te spreken dat hij/zij hem/haar te leuk gaat vinden. De collega heeft direct aangegeven niks voor de werknemer te voelen. In een telefoongesprek een dag later heeft de werknemer, ondanks de duidelijke boodschap de dag ervoor in de auto door de collega, opnieuw avances gemaakt. De collega heeft daarop een melding gedaan van grensoverschrijdend gedrag van de werknemer. De werknemer is veelvuldig over haar/zijn grenzen heen gegaan en de collega kan niet langer met de werknemer samenwerken.
De collega heeft verder een melding gedaan over het feit dat de werknemer informatie, welke informatie hij/zij in haar/zijn rol van vertrouwenspersoon had verkregen met de collega heeft gedeeld. De werkgever is naar aanleiding van de melding een vooronderzoek gestart. Op grond van het vooronderzoek heeft de werkgever maatregelen genomen ter bescherming van de collega. De maatregelen bestonden uit een verbod de werklocatie van de collega te betreden en een verbod voor werknemer om contact op te nemen met de collega. De werkgever heeft een feitenonderzoek uit laten voeren door een intern onderzoeksbureau.
De werknemer heeft een andere versie van het gebeurde. De werknemer ontkent avances te hebben gemaakt. De werknemer stelt dat hij/zij het gesprek in de auto juist is aangegaan om te voorkomen dat de omgang fysiek zou worden. De werknemer stelt dat het onderzoek op grond van het BIPO door een extern onderzoeksbureau uitgevoerd had moeten worden. De werknemer stelt dat een schriftelijke berisping disproportioneel is. De werknemer stelt dat het onderzoek niet in overeenstemming met artikel 2:4 AWB heeft plaatsgevonden omdat er directe collega’s van de werknemer in de onderzoekscommissie zitting hadden.
Hoe luidt de uitspraak van de commissie?
De commissie oordeelt dat het in deze zaak gaat om een tweetal vragen:
– 1. Is er sprake van plichtsverzuim?
– 2. Is de opgelegde straf evenredig?
Voor het aannemen van plichtsverzuim is vereist dat de gedragingen die aan de werknemer worden verweten vast staan en dat die gedragingen kwalificeren als plichtsverzuim omdat werknemer met die gedragingen de aan hem opgelegde verplichtingen niet is nagekomen (voorschriften heeft overtreden).
De commissie overweegt dat een berisping de lichtst mogelijke straf op grond van hoofdstuk 15 van de CAO Rijk is. De commissie stelt vast dat de feiten die aan de berisping ten grondslag zijn gelegd voldoende vast zijn komen te staan. Door een dag nadat de autorit plaatsvond, tijdens een telefoongesprek bij de collega avances te maken, terwijl de collega de dag ervoor had aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in iets dat verder ging dan de tussen partijen bestaande werkrelatie, is naar het oordeel van de commissie de werknemer de grens van het betamelijke overgegaan en heeft de werknemer in strijd gehandeld met het gedrag zoals dat van een goed ambtenaar mag worden verwacht.
Voor wat betreft het verwijt van de werkgever dat de werknemer casuïstiek vanuit zijn rol als vertrouwenspersoon met de collega heeft gedeeld, oordeelt de commissie dat zelfs indien de casuïstiek algemeen bekend is omdat de betrokken collega daarover de publiciteit heeft gezocht, het niet past bij de rol van een vertrouwenspersoon om daarover zelf uitlatingen ten opzichte van derden te doen.
Daarmee heeft de werknemer de vertrouwelijkheid geschonden die van een vertrouwenspersoon mag worden verwacht. Ook op dit punt heeft de werknemer in strijd gehandeld met het gedrag zoals van een goed ambtenaar mag worden verwacht.
De commissie concludeert dat de werkgever in de gegeven omstandigheden heeft kunnen overgaan tot het opleggen van een schriftelijke berisping. De schriftelijke berisping is naar het oordeel van de commissie evenredig aan de ernst en inhoud van de gedraging(en). Bij dit oordeel heeft de commissie meegewogen dat de werknemer vertrouwenspersoon is en dat juist in die hoedanigheid van de werknemer mocht worden verwacht dat deze zich conformeert aan de voorgeschreven omgangsvormen en de vereiste vertrouwelijkheid in acht neemt.
Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting
De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.
Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.
Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.
Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.
Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl .