Inhoudsindicatie

Functie-indeling

Zaaknummer(s) 2024-00213
Datum uitspraak
Categorie(ën) verschil van mening,
zoals genoemd in 16.2 van de Cao Rijk
Of aan werkzaamheden goede salarisschaal is verbonden, Of werkzaamheden passen binnen functiegroep Functiegebouw Rijk
Relevante cao-bepaling(en) 6.1
Uitkomst zaak (deels) ongegrond

Waar gaat de zaak over?

De werknemer stelt dat de werkzaamheden die zij verricht horen te worden ingedeeld in groepsfunctie I. Het merendeel van haar werkzaamheden (80%) bestaat uit het behandelen van zeer complexe casussen. De werknemer meent dat haar werkzaamheden sterk zijn gewijzigd. Voor haar is dat reden om een verzoek tot functie-weging in te dienen. Verder geeft de werknemer aan dat het bij de locatie [plaatsnaam] anders wordt gewerkt dan landelijk. Als gevolg behandelen de F-medewerkers daar veelal de complexe casuïstiek aangezien de I-medewerkers enkel bij hoge uitzondering deze werkzaamheden uitvoeren. De werknemer is van mening dat de functieweging niet de werkelijkheid weerspiegelt.

De werkgever stelt dat de werknemer correct is ingedeeld in groepsfunctie F. De werkgever geeft aan dat een vast onderdeel van de functie op het niveau van groepsfunctie I [werkzaamheden] betreft (75 tot 80%), waarvan de werknemer heeft aangegeven deze werkzaamheden niet te willen doen. Verder merkt de werkgever op dat het aan de werkgever is om de organisatie en werkzaamheden zo in te richten als zij goed acht. Met betrekking tot de functieweging geeft de werkgever aan dat de werknemer betrokken is geweest bij het opstellen van de functieweging. Zij is in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie in te brengen.

Hoe luidt de uitspraak van de commissie?

De functieweging

De functieweging moet bij de werkgever plaatsvinden in het licht van de eerst hoger gelegen functie (groepsfunctie I). Voor groepsfuncties wordt gewerkt met drie fases. Als een werknemer de fasen 1 tot en met 3, van de hogere groepsfunctie betreffen en met het uitvoeren van de werkzaamheden die behoren tot de fasen 2 en 3 van de hogere groepsfunctie ten minste 50% van de werktijd van de groepsfunctionaris is gemoeid dient de werknemer in een hogere groepsfunctie te worden geplaatst.

De werknemer en de werkgever hebben het functiebeeld geaccordeerd. Ook het interview is goedgekeurd door de werknemer. Om te beoordelen of de functieweging zorgvuldig en juist is opgesteld kijkt de commissie uitsluitend naar dit geaccordeerde functiebeeld en interview.

De commissie oordeelt dat de werkgever de functie van de werknemer redelijkerwijs heeft kunnen inschalen in groepsfunctie F. De werkgever heeft een functie-wegingsonderzoek laten uitvoeren door een daartoe gespecialiseerd persoon en weging heeft plaatsgevonden aan de hand van interne leidraad ‘procedure functieweging’. Er is een functiebeeld opgesteld waar ook de werknemer input op heeft kunnen leveren en is geïnterviewd. De commissie kan niet vaststellen dat uit het functiebeeld blijkt dat de werknemer voor meer dan 50% werkzaamheden uitvoert die schaal F overstijgend zijn en dat deze niet zijn meegenomen in de functieweging. Dit betekent niet dat zij in het geheel geen werkzaamheden uitvoert die niveau F overstijgend zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat de commissie niets wil af doen aan de beleving en het gevoel van de werknemer. Dat de werknemer een zeer betrokken werknemers is, die een belangrijke rol speelt bij de afdeling wordt door de commissie niet ontkend. De werkgever heeft dit standpunt ook uitgesproken op de hoorzitting en heeft de werknemer voorgedragen voor een bijzonder beloning, maar dit doet er echter niet aan af dat de werkgever de correcte werkwijze heeft gevolgd bij het opstellen van de functie-indeling. De commissie ziet geen aanleiding om de indeling als onredelijk te kwalificeren

Gelijke beloning

Dat werknemers in gelijke gevallen in gelijke omstandigheden recht hebben op gelijke beloning is een uitvloeisel van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek. Gelijke arbeid moet in gelijke omstandigheden op gelijke wijze worden beloond, tenzij een objectieve rechtvaardigingsgrond de ongelijke beloning toelaat. Hiervoor is een terughoudende toetsing op zijn plaats. Als de werknemer en haar collega’s gelijke arbeid onder gelijke omstandigheden verrichten dan moet daarnaast het verschil in beloning tussen de werknemer en haar collega’s ongeoorloofd zijn. Dit wil zeggen dat er geen objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is voor het verschil in beloning en dit verschil naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De commissie is van oordeel dat op de werkgever een plicht rust om te onderzoeken of er sprake is van ongelijke beloning als daar gerede twijfels toe zijn. De werknemer heeft haar stelling verder niet onderbouwt met een concrete vergelijking naar collega’s. De commissie kan dan ook niet vaststellen of sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke beloning.

Het proces

De commissie constateert tot slot dat het functie-indelingsproces niet volledig vlekkeloos is verlopen. De commissie is echter niet van oordeel dat de werkgever gedurende het proces zo onzorgvuldig heeft gehandeld dat zijn besluit daardoor in redelijkheid niet kan worden gehandhaafd.

Over de uitspraken van de commissie en deze samenvatting

De geschillencommissie doet uitspraak over een voorgelegd meningsverschil. De uitspraak is echter niet bindend.

Afwijken van die uitspraak kan alleen gemotiveerd gebeuren. Dit is bepaald in § 16.2 van de cao.

 

Deze samenvatting is een vereenvoudigde, geanonimiseerde weergave van de officiële uitspraak van de commissie.

 

Aan de samenvatting kunnen geen rechten worden ontleend.

 

Voor vragen of opmerkingen over de samenvatting, gelieve contact op te nemen met het secretariaat van de commissie via administratie.caopjuridisch@caop.nl.